“Schipperen tussen ons moreel besef, onze aspiraties én onze zwakheden”
Ronald Tinnevelt

Lees meer

Open hier het volledige artikel in een printklare PDF (landscape)

Mag je al dan niet een collectant van Unicef op straat voorbijlopen? Dat is één van de openingsvragen in het boek ‘Mondiale rechtvaardigheid’ van Ronald Tinnevelt en Thomas Mertens. De auteurs buigen zich over de verantwoordelijkheid van elk individu om anderen in nood te helpen. “Als filosoof zal ik echter nooit bepalen hoe iemand moet handelen. Noem me dus zeker geen moraalridder. Dat vind ik een vreselijk woord”, aldus rechtsfilosoof Ronald Tinnevelt.

“Wanneer je praat over rechtvaardigheid, stellen zich meteen twee zeer belangrijke vragen”, legt Ronald Tinnevelt uit. “De eerste vraag is of er überhaupt een verplichting bestaat om andere personen in nood te helpen. Het tweede dilemma gaat over de manier waarop je hulp kan aanbieden en onder welke omstandigheden.  Deze twee vragen mogen we niet te snel op één hoopje gooien.”

Laten we dan meteen starten met die eerste vraag. Hebben we als individu verantwoordelijkheden en plichten tegenover elkaar?
“Dat vind ik een zeer belangrijk startpunt voor ons denken over rechtvaardigheid. Bijna niemand zal ontkennen dat we deze plichten en verantwoordelijkheden hebben. Toch zijn we vaak geneigd om in eerste instantie enkel naar de directe leefomgeving te kijken, zoals de verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen of de aansprakelijkheid van werkgevers voor hun werknemers. Maar rechtvaardigheid stopt niet bij de directe leefomgeving. De wereld is inherent verbonden, vandaar de titel van het boek ‘Mondiale rechtvaardigheid’. Zo heeft de eenvoudige aankoop van een T-shirt automatisch een effect op een hele groep mensen die je nooit zal ontmoeten.”

Tot waar reikt onze verantwoordelijkheid?
“Je kan het begrip ‘mondiale rechtvaardigheid’ dermate extreem invullen zodat niemand nog aan alle eisen kan voldoen. Wie weet werkelijk waar alle dingen die we kopen vandaan komen? Wie heeft de tijd en het geld om alle goede doelen te steunen? Tegenover die veeleisendheid denk ik meteen: kunnen en mogen we iemand zomaar voor alles verantwoordelijk stellen? Op een bepaald moment ligt die verantwoordelijkheid misschien immers niet alleen meer in de handen van het individu, maar maakt ze deel uit van een groter structureel geheel.”

“Toch ontslaat dat ons niet van een zekere verantwoordelijkheid. Ben jij als individu verantwoordelijk als je geld belegt in een bank waarvan je weet dat die minder duurzame fondsen beheert? Of in hoeverre ben je zelf verantwoordelijk wanneer je een goed doel steunt waarvan uiteindelijk blijkt dat medewerkers van die organisatie meewerken aan de onderdrukking van de meest kwetsbaren? Dat zijn pertinente vragen. Als filosoof hoop je vooral dat mensen bereid zijn om na te denken over het verantwoordelijkheidsvraagstuk en over hoe zij hun leven op een fatsoenlijke wijze kunnen inrichten. Dat is al een kleine stap in de goede richting.”

Beschouw je jezelf als een wereldburger?
“Een wereldburger zet zich als kritische burger in voor een meer rechtvaardige wereld. Het is een ideaal dat ik wil nastreven, maar niets menselijk is me vreemd. Je moet durven erkennen dat bepaalde zaken die je verwerpelijk vindt in het leven, misschien toch nog onbewust in beperkte mate je denken of levenswijze beïnvloeden. Je hoopt natuurlijk dat het moment er komt dat je jezelf ooit wereldburger kan noemen. Maar als lid van verschillende gemeenschappen komt er vroeg of laat een moment waarop je keuzes moet maken. Hoe bemiddel je tussen al deze verschillende belangen? Het werk is nooit af. Ons lot is om te blijven schipperen tussen ons moreel besef, onze aspiraties en tegelijk onze zwakheden.”

De vraag naar onze politieke verantwoordelijkheid als burger is belangrijk om te stellen, maar we moeten oppassen niet te veel van de gewone mens te eisen.

Ik keer dan graag terug op de allereerste vraag uit jouw boek: mogen we al dan niet de collectant van Unicef op straat voorbijlopen?
“Het is niet mijn taak om aan te geven hoe een andere persoon moet handelen. Ik kan enkel formuleren welke afwegingen ik zelf maak en mensen aanzetten om over hun eigen afwegingen na te denken. Bij de supermarkt om de hoek verkoopt een mevrouw elke dag een straatkrantje. Soms geef ik haar iets, maar andere keren loop ik voorbij. Ik hoop natuurlijk dat dergelijke problemen structureel opgelost kunnen worden, zodat daklozen zich niet geroepen voelen om op straat te verkopen.”

“Maar wat als de lokale en nationale gemeenschap en de politiek niet bereid zijn om een structureel antwoord te bieden? Dan kom je opnieuw bij de burger uit. Als individu word je in feite dubbel aangesproken: enerzijds om bij te dragen aan goede doelen, en anderzijds, wanneer de politieke gemeenschap haar verantwoordelijkheid niet opneemt, om bepaalde thema’s op de politieke agenda te brengen. De vraag naar onze politieke verantwoordelijkheid als burger is belangrijk om te stellen, maar we moeten oppassen niet te veel van de gewone mens te eisen.”

“Het is belangrijk dat je ook als burger nadenkt over hoe en op welk niveau een probleem opgelost kan worden. Het is niet omdat bepaalde vormen van hulp niet werken, dat we niet meer solidair hoeven te zijn. Andersom kan je door zelf hulp aan te bieden ook zeer contraproductief zijn. Dat neemt onze verantwoordelijkheid niet weg, maar zorgt er enkel voor dat je moet nadenken over de concrete omstandigheden waaronder je hulp gaat geven. De verantwoordelijkheid om iets te doen, is gekoppeld aan de taak om je goed te informeren.”

Er wordt in veel landen volop bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Is dat een verstandige keuze?
“Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk. Wanneer ontwikkelingssamenwerking afgebouwd wordt omdat we het geld liever niet besteden aan de bestrijding van armoede of ongelijkheid buiten onze landsgrenzen, dan vind ik dat een fundamenteel problematische afweging van een welvarend land. Maar wanneer men de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking in vraag stelt en kan aantonen dat structurele hulp niet de gewenste effecten heeft, kan een dergelijke bezuiniging wel legitiem zijn.”

“Het kan bijvoorbeeld zijn dat bepaalde hulp een land zeer hulpafhankelijk maakt of misschien zelfs een bepaalde mate van ondernemerschap in dat land de nek omdraait. Dan moet dat heel secuur onderzocht worden. Maar let ook op met deze al dan niet terechte kritiek op ontwikkelingssamenwerking. Vaak pakken politici en beleidsmakers hier graag mee uit en grijpen ze deze kritiek aan om het nationalistisch zelfbesef nog sterker te voeden.”

Ontwikkelingssamenwerking, en dus ook wereldburgerschapseducatie, krijgen heel vaak een links-ideologische stempel. Zijn de begrippen liefdadigheid en rechtvaardigheid verbonden aan een politieke voorkeur?
“Dat is een heel interessante kwestie, want het brengt je bij de vraag wat wereldburgerschap is en vooral hoe je het zou willen realiseren. Als we wereldburgerschap heel algemeen beschrijven als het besef dat je een burger van de wereld bent en niet alleen van jouw directe omgeving, dan heeft wereldburgerschap voornamelijk te maken met een oproep tot een zekere loyaliteit over de grenzen heen. De vraag is natuurlijk wat dit impliceert en wie die loyaliteit hard zal moeten maken. Iemand aan de rechterkant van het politieke spectrum hoeft helemaal niet tegen liefdadigheid te zijn, maar zal een andere mening hebben over de invulling van verantwoordelijkheden en verplichtingen.”

Wereldburgerschapseducatie moet vanuit beide kanten van het politieke spectrum de discussie over fundamentele maatschappelijke problemen voeden.

Kan je nog steeds politiek neutraal zijn wanneer je een thema over ongelijke lasten aankaart, zoals de T-shirts die voor 2 euro in de Primark te koop liggen?
“Door de lage prijs kan je van tevoren verwachten dat het product niet gemaakt is onder optimale omstandigheden waarbij mensen fatsoenlijk betaald worden. Er gaat dan blijkbaar iets fundamenteel mis tijdens een simpele vrije markt-transactie, waarbij letterlijk schade toegebracht wordt aan iemand anders. Zelfs vanuit een discours waarbij individuele vrijheid en verantwoordelijkheid voorop staan, moet je dit probleem aankaarten.”

“Toch moeten scholen oppassen dat ze het verhaal van wereldburgerschap niet laten typeren als links ideeëngoed of dat ze op basis van een linkse ideologie invullen hoe de ideale wereld eruit moet zien. Scholen dienen ideaal gezien geen politieke boodschap te brengen. Wereldburgerschapseducatie moet breder zijn zodat vanuit beide kanten van het politieke spectrum de discussie over fundamentele maatschappelijke problemen gevoed kan worden. Op die manier kunnen verschillende antwoorden op eenzelfde problematiek geformuleerd worden.”

Elke persoon heeft natuurlijk een persoonlijke mening. Hoe kan je als leerkracht een verhaal aan de leerlingen brengen zonder moraliserend te zijn?
“Het is natuurlijk niet gewenst dat een leerkracht zijn of haar eigen mening opdringt. Er moet binnen de klas een open debatcultuur gestimuleerd worden, waarbij verschillende – linkse en rechtse – antwoorden en oplossingen op maatschappelijke uitdagingen mogelijk zijn. Elke student moet daarna voor zichzelf bepalen welke antwoorden voor hem of haar het meest overtuigend zijn. Reflexiviteit aanmoedigen is dus de sleutel.”

“Daarnaast is het zeer belangrijk om leerlingen gevoelig te maken voor het rechtvaardigheidsthema. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum stelt dat leerlingen zich niet aangesproken voelen door abstracte doelen, zoals bijvoorbeeld de SDG’s, wanneer het verhaal niet rechtstreeks verbonden is met hun eigen leven. Leerlingen zijn vaak onvoldoende in staat zich een beeld te vormen van het belang van dergelijke doelstellingen. Pas wanneer er een soort gemeenschappelijk verhaal met een noodzakelijk emotioneel betoog is, kan je voldoende slagkracht genereren.”

Solidariteit kan geen verplichting zijn die van buitenaf wordt opgelegd, maar dient te maken hebben met het dagelijkse leven.

Moet er voor solidariteit dan steeds iets op het spel staan voor jezelf?
“Dat klinkt heel negatief, maar dat is het eigenlijk niet. Martha Nussbaum zou zeggen dat je mensen moet aanspreken op een persoonlijk niveau om duidelijk te maken dat verantwoordelijkheid of solidariteit geen abstracte oproep is. Op die manier wordt duidelijk dat iedereen onderdeel is van een breder geheel, waarbij we wel degelijk verbonden zijn met mensen aan de andere kant van de wereld. Solidariteit kan geen verplichting zijn die van buitenaf wordt opgelegd, maar dient te maken hebben met het dagelijkse leven. Zo niet, creëer je rechtvaardigheid zonder motivatie.”

Is dit een pleidooi om binnen het onderwijs meer in contact te komen met het Zuiden?
“Absoluut, dat is een perfecte brug naar wereldburgerschapseducatie. Een klaslokaal dient niet enkel abstracte kennis te bieden, maar evenzeer kennis waar leerlingen zich op de één of andere manier mee verbonden voelen. Nussbaum hamert steeds op dat inlevingsvermogen. Alleen door zichzelf te verplaatsen in de positie van een ander, kom je meer te weten over het leven van een ander. Bovendien zullen leerlingen op die manier vragen van morele aard stellen. Een klaslokaal moet dus een context bieden voor het stimuleren van het morele inlevingsvermogen.”

“De moeilijkheid is om dit concreet te vertalen binnen een klassetting en binnen een beperkt tijdskader. Je kan niet verwachten dat leerkrachten voltijdse morele actoren zijn. Daarom is het zo knap wanneer mensen vanuit educatie of pedagogie in staat zijn om de nood tot moreel besef te vertalen naar concrete opdrachten of vraagstukken voor leerlingen.”